2.2.2.6 Taalgebruik

Passend taalgebruik is van belang om een cliënt in staat te stellen zijn ideeën, gevoelens, ervaringen etc. zodanig te beschrijven dat ze voor de begeleider en de cliënt dezelfde betekenis hebben.

Hoe doe ik dat?

  1. U gebruikt woorden te gebruiken die aansluiten bij het taalgebruik van de cliënt. Dit is des te meer van belang indien de cliënt niet uit Nederland afkomstig is en/of zijn uitdrukkingsvaardigheid in het Nederlands beperkt is
  2. U beseft dat de aansluiting bij het taalgebruik van de cliënt diezelfde client duidelijk maakt dat de begeleider zich – functioneel – wil voegen in diens belevingswereld
  3. U maakt zonodig afspraken over het woordgebruik in het contact.