2.2.7.1 Vier functies

Men kan vier basale functies aan de begeleidings- of hulpverleningsrelatie onderscheiden.

Hoe doe ik dat?

  1. U biedt met deze relatie een veilige situatie voor de cliënt om zich te kunnen uiten en zich kwetsbaar te kunnen opstellen
  2. U gebruikt de relatie als een medium om sterke gevoelens bij de cliënt op te roepen en de cliënt te helpen deze gevoelens te verwerken en onder controle te krijgen. Het oproepen en laten uiten van sterke gevoelens is vaak nodig om een veranderingsproces op gang te brengen, maar de cliënt moet zich hierin wel beschermd, begrepen en gerespecteerd voelen wil hij deze uitdaging durven aangaan.
  3. U hanteert de hulpverleningsrelatie als medium om de cliënt te bekrachtigen. Het gevoel er niet meer alleen voor te staan kan vaak al een doorbraak betekenen
  4. U vervult binnen de hulpverleningsrelatie een modelfunctie. De cliënt kan zien hoe plezierig en nuttig een interpersoonlijke relatie kan zijn als binnen zo’n relatie op een constructieve manier wordt gewerkt aan het oplossen van problemen. De hulpverleningsrelatie biedt tevens een ‘speelveld’ waarop de cliënt kan oefenen met bepaalde vaardigheden alvorens deze in ‘het echt’ uit te voeren. Vooral in communicatief opzicht kunnen de therapeut als rolmodel en de hulpverleningsrelatie als oefensituatie van grote waarde zijn.