3.3.1a Babyfase

uit: De Vocht
 
Wat betreft de cognitieve ontwikkeling bevindt een baby (0-2 jaar) zich in de sensorimotorische periode. Dat wil zeggen dat het kind door een samenspel van zijn motoriek en zijn zintuigen begint te ontdekken hoe de wereld in elkaar zit. Als je een mobile boven zijn bed hangt maakt hij eerst heel ongerichte zwaaibewegingen met zijn armpjes. In de loop van de tijd leert het kind deze bewegingen steeds preciezer aan te sturen, totdat hij heel gericht naar de mobiel kan grijpen. Zijn zintuigen (in dit geval vooral zijn gezichtsvermogen) geven hem steeds informatie terug over het effect van zijn acties ('als je zo doet ga je er naast, als je zo doet ga je er onderlangs') waardoor hij deze acties steeds fijner aan leert sturen. 
 
Door dingen te onderzoeken en te ondervinden bouwt het kind langzaam indrukken op over zichzelf en zijn omgeving. Zo leert het kind bijvoorbeeld om onderscheid te maken tussen zichzelf en zijn omgeving, iets wat een pasgeboren baby nog niet kan. Een pasgeboren baby beseft bijvoorbeeld nog niet goed waar zijn eigen lijfje ophoudt en waar dat van zijn moeder begint. Op een gegeven moment krijgt hij dan bijvoorbeeld door dat zijn voetjes altijd aan hem blijven vastzitten maar dat hij zijn knuffelbeestje uit zijn bedje kan gooien. De voetjes horen dus blijkbaar wel bij hem, de knuffelbeestjes niet (althans, ze zijn geen onderdeel van zijn lichaam).
 
Mede doordat het geheugen steeds beter begint te werken en de waarneming steeds scherper wordt, leert het kind in deze periode ook dat voorwerpen en mensen blijven bestaan, ook als je ze niet meer ziet (ontwikkeling van de objectpermanentie). Het leert hierdoor ook de vaste verzorgers van andere mensen onderscheiden. Op grond van deze verworvenheden kan zich angst voor vreemde mensen voordoen bij de baby. Ook kunnen we dan `scheidingsangst' bij de baby zien; hij protesteert als de vaste verzorgers weer bij hem weggaan.
 
Overigens betekent dit dat bij de baby het proces van hechting aan de vaste verzorgers op gang is gekomen. Dit hechtingsproces is van groot belang voor de emotionele en sociale ontwikkeling. Wanneer het kind zich aan een of meer vaste verzorgers kan hechten kan het basaal vertrouwen ontwikkelen. Doordat het kind vaste verzorgers heeft die vaste verzorgingspatronen hanteren en inspelen op de behoeften van het kind leert het kind dat het kan vertrouwen op de mensen die voor hem zorgen. Het kind ervaart dat het afhankelijk van zijn verzorgers kan en mag zijn en dat ze in zijn behoeften voorzien. Het ontwikkelen van dit basale vertrouwen in de hechtingsrelatie met de verzorgers is het fundament voor zijn verdere sociaal-emotionele ontwikkeling. Bij een leeftijd van ongeveer anderhalf jaar zien we een piek in de gehechtheid aan de vaste verzorgers.
 
Juist op basis van deze gehechtheid en dit vertrouwen durft een kind de wereld te gaan onderzoeken. Zijn steeds verdergaande motorische ontwikkeling stelt hem hiertoe ook in staat. Als je weet dat je altijd op een veilige basis kunt terugvallen durf je wel op stap te gaan. Het kind ervaart hierbij steeds meer dat hij een persoontje is dat losstaat van de personen van de vaste verzorgers. Het kind gaat op psychologisch niveau meer en meer ervaren dat hij een eigen `ik' heeft met daaraan gekoppeld ook een eigen wil.
 
Dit leidt tot wat meestal de `koppigheidsfase' genoemd wordt. Voor het kind is de ontdekking dat hij een eigen persoon met een eigen wil is een spannend avontuur, waarmee hij zal gaan experimenteren. Wanneer je ouders zeggen: "en nu gaat Paultje naar bed" kan het een fantastische (en ook een spannende) ontdekking zijn dat jij dan kunt zeggen: "nee, dat wil ik niet". Soms gaat het hierbij meer om het zéggen dat je niet wilt dan om het echt niet wíllen. Voor ouders en andere verzorgers is deze koppigheidsfase vaak een lastige periode, al variëren kinderen sterk in hoe lastig ze in deze periode zijn (en variëren ouders sterk in hoe goed ze kinderen in deze periode kunnen hanteren).
 
Toch is de koppigheidsfase in psychologisch opzicht belangrijk en gezond. Het kind wordt tijdens het onthechtingsproces als het ware psychologisch geboren. Zijn lichaam kwam bij de geboorte op de wereld maar het besef een aparte persoon te zijn dringt nu pas tot het kind zelf door. Hiermee wordt het fundament van zijn gevoel van identiteit gelegd. Wanneer het kind ongeveer drie jaar is, is dit psychologische onthechtingsproces voltooid. Uiteraard is het kind nog wel `gehecht' aan zijn ouders, maar psychologisch gezien bestaat hij nu als een aparte persoon, hij heeft een zekere mate van autonomie (zelfstandigheid) verworven. In deze levensfase zijn de vaste verzorgers de belangrijkste figuren in het leven van het kind.
 
OVERZICHT: HECHTINGS- EN ONTHECHTINGSPROCES